Wetenschappers aan het woord
Vraagt u zich af hoe we dit allemaal kunnen weten? Archeologen verzinnen niet gewoon een verhaaltje bij hun vondsten. Het verhaal van het laat-Romeinse fort en bijhorende grafvelden in Oudenburg heeft een indrukwekkende onderzoeksgeschiedenis van maar liefst 75 jaar! Dit weerspiegelt de belangrijke plaats die Oudenburg was in onze geschiedenis.
Oudenburg is één van de weinige plekken in ons land die een continue Romeinse bewoning kende, van in de 1ste tot in de 5de eeuw. En we vergeten vaak dat de menselijke aanwezigheid er ook doorliep tot in de vroege middeleeuwen. Het was de hoofdplaats van de pagus Flandrensis. De wieg van het middeleeuwse graafschap stond als het ware in de ruïnes van het laat-Romeinse fort.
– Prof. Wim De Clercq (Universiteit Gent)
De ontdekking van het fort
Het onderzoek naar het laat-Romeinse fort en de bijhorende grafvelden begon halverwege de 20ste eeuw. De ontdekking was geen toeval, maar het resultaat van verschillende puzzelstukken die samenkwamen. Zo vermeldt een administratieve lijst uit de 5de eeuw – de Notitia Dignitatum – het bestaan van een laat-Romeinse kustverdediging aan de Noordzee. Daarnaast beschrijft een monnik in een manuscript uit de 11de eeuw een “oude versterking” in Aldenborg.
De plaatsnaam Oudenburg, Aldenborg, die opklimt tot in de jaren 866 is zeer sprekend en wijst op het bestaan van een oude burg, een oude versterking, zonder dat hieruit evenwel duidelijk blijk of het gaat om een Romeinse dan wel vroegmiddeleeuwse vesting; beide mogelijkheden werden overwogen.
- Prof. Jozef Mertens, 1971.
Deze aanwijzingen in combinatie met het opvallend vierkante stratenpatroon van de stad, deed archeologen vermoeden dat het hier ging om een Romeins legerkamp. Dit leidde tot gerichte opgravingen, waarbij delen van het fort daadwerkelijk werden blootgelegd.
Lees hier meer over het onderzoek
De grootschalige studie van het fort
In 2001 startte er een grootschalige opgraving aan de zuidwesthoek van het fort. Deze site bleek zeer complex te zijn en de opgravingen namen vier jaar in beslag. Het analyseren van alle vondsten, sporen en gegevens nam echter nog veel meer tijd in beslag.
Pas in 2018 kon Sofie Vanhoutte het eerste wetenschappelijke overzichtswerk over de site afronden. Daarin schetste ze een nauwkeurig beeld van het verhaal van het fort en zijn bewoners. Daarna volgden nog een aantal jaren om alle deelstudies af te werken. In 2023 – achttien jaar na het veldwerk – verscheen de definitieve publicatie in boekvorm.
Het castellum van Oudenburg is het enige stenen fort en het enige laat-Romeinse fort dat Vlaanderen rijk is. Om deze complexe site als jonge archeoloog toen de opgraving mogen leiden, was soms wat overdonderend, maar ik streefde ernaar om zoveel mogelijk informatie uit de bodem te halen. Bij de verwerking van alle gegevens en vondsten voelde ik dat ik de geschiedenis van het fort van Oudenburg kon herschrijven en zo ook nieuwe inzichten kon aanleveren voor het grotere verhaal van de kustverdediging langs de Noordzee.
– Dr. Sofie Vanhoutte (archeoloog)
Hoe graaf je een Romeins fort op?
Bij het verwijderen van de bovenste bodemlagen stootten archeologen op talloze resten van muren, paalkuilen, waterputten, haarden en andere structuren. Daarin vonden ze allerlei objecten: aardewerk, metaal, glas, hout, leer en meer. Hoe dieper ze groeven, hoe meer bewoningslagen ze ontdekten. Het fort kende ongeveer 250 jaar bewoning en werd meerdere keren volledig herbouwd. Dat betekent dat er onder het jongste fort nog een fort lag, en daaronder weer een, en nog één …
Het resultaat? Een complexe driedimensionale puzzel. Alles moest zeer nauwkeurig worden geregistreerd, zodat elke vondst later herleidbaar is tot de juiste laag en het juiste gebouw.
Wat gebeurt er na de opgraving?
Na het opgraven begon het echte speurwerk pas. Archeologen onderzochten welke structuren bij elkaar hoorden, wanneer ze gebouwd waren en waarvoor ze gebruikt werden. Waarom bevond zich daar een haardplaats? Wat was de functie van die kuil? Om antwoorden te vinden bestudeerden ze de vondsten: gebruiksvoorwerpen, bouwmaterialen, maar ook dierlijke botten en plantenresten.
Het lezen van lagen
Stratigrafie speelde een sleutelrol bij het dateren. Dit is de studie van grondlagen en bewoningslagen, en hoe ze zich tot elkaar verhouden. Door te kijken welke lagen boven of onder elkaar lagen, ontdekten archeologen welke gebouwen op hetzelfde moment bestonden en hoe de het fort zich doorheen de tijd ontwikkelde.
Natuurwetenschappelijk dateren
De archeologen hadden het grote geluk goed bewaard eikenhout aan te treffen. Door de jaarringen konden ze balken en planken via dendrochronologie nauwkeurig dateren. Ook radiokoolstofdatering – een techniek die het gekende radioactief verval van koolstof gebruikt om organische resten te dateren – heeft hierin een belangrijke rol gespeeld.
Vondsten vertellen het verhaal
Vondsten vormen vaak de belangrijkste sleutel om een site te dateren én te begrijpen. Zo waren de munten, met hun keizersportretten, zeer waardevol om skeletgraven uit het grafveld te kunnen dateren. Daarmee konden archeologen ook de andere grafgiften – voorwerpen meegegeven met de overledene – in de tijd plaatsen.
Archeologen zijn echter geïnteresseerd in meer dan jaartallen: elk object vertelt iets over het leven in het fort. Aardewerk geeft inzicht in handelscontacten, lederen schoenen illustreren mode en afdrukken van dierenpoten, schoenen of regendruppels op zelfgemaakte dakpannen werpen licht op het dagelijkse leven in het fort.
Je voelt je als archeoloog een detective op zoek naar de betekenis in het verleden. Elke vondst vertelt een verhaal. Wanneer verschillende puzzelstukken samenvallen, krijg je een glimp van het leven toen. En dan heb je een eureka-moment.
– Dr. Sofie Vanhoutte (archeoloog)
De grafvelden en menselijke resten
Menselijke resten uit de grafvelden vormen een cruciale schakel voor ons begrip, ook al zijn ze niet binnen het fort gevonden. In Oudenburg zijn drie laat-Romeinse grafvelden opgegraven, met in totaal zo’n 240 individuen.
Fysisch antropologen onderzoeken de botten om geslacht, leeftijd en eventuele ziektebeelden vast te stellen. Ons skelet vormt een dynamisch geheel met ons lichaam: botten vormen en hervormen zich het hele leven lang om zich aan te passen aan iemands leven en zijn omstandigheden.
Veel zwaar werk? Dat lees je af aan de spieraanhechtingen en gewrichten. Ooit een arm gebroken? Het bot zal zo goed mogelijk genezen en de breuk verstevigen. Een zwak voor zoetigheid? De tanden verraden het. Op talloze subtiele én duidelijke manieren vertelt het skelet het unieke verhaal van iemands leven.
Het is een enorm privilege om menselijke resten van zo lang geleden te mogen onderzoeken. Het geeft een intieme blik op het leven van mensen van toen. Bij de resten uit elk graf wordt eerst de basisinformatie vastgesteld zoals leeftijd en geslacht. Maar algauw wordt de informatie persoonlijker. Tandslijtage vertelt welk voedsel iemand at. De spieraanhechtingen tonen wat voor fysieke activiteit iemand ondernam. Ook ernstige ziekten en de alledaagse kwaaltjes komen aan het licht. Al deze dingen schetsen een portret van een individu en samenleving op een diep menselijk niveau.
– Dr. Jessica Palmer (fysisch antropoloog)
Met de analyse van isotopen op collageen – het organische deel uit botten en tanden – kunnen wetenschappers achterhalen wat voor dieet mensen vroeger aten. Uit bepaalde isotopen in het tandglazuur kunnen ze zelfs onderzoeken waar mensen mogelijk vandaan kwamen.
Met isotopenonderzoek kunnen we als fysisch antropologen bijdragen aan het grotere verhaal van het verleden, in dit geval voor het oostelijk grafvelden bij het Romeinse fort in Oudenburg. De botten waren slecht bewaard door de bodemomstandigheden. Gelukkig bewaart tandglazuur beter en konden we dat onderzoeken. We keken hier naar strontium- en zuurstofisotopen om te kunnen achterhalen waar mensen in hun jeugd zijn opgegroeid of waar ze vandaan kwamen. Het was bijzonder om te kunnen bijdragen aan dit verhaal van de laatste Romeinen.
– Dr. IJk van Hattum (fysisch antropoloog)
Het opgraven van een grafveld met menselijke resten is dan ook een aparte situatie. Je bent immers niet gewoon muren of grondsporen aan het opgraven, maar de laatste rustplaats van mensen uit ons verleden.
Als je als archeoloog een opgraving te Oudenburg mag gaan leiden, weet je dat je mooie sporen en vondsten mag verwachten. Het oostelijk grafveld aan de Bellerochelaan was echter een verrassing en als de graven dan ook nog prachtige bijgiften hebben meegekregen, maakt je archeologenhartje een sprongetje. Het graf dat me het meest is bijgebleven, is een wat kleiner graf maar met drie mooie eierbekertjes in een hoekje geplaatst. Prachtig in zijn eenvoud.
– Tina Dyselinck (archeoloog)
De rol van natuurwetenschappen en technologie
Het zal sommige mensen misschien verbazen, maar natuurwetenschappen en technologie zijn alledaags geworden in de archeologie. Waar lang het millimeterpapier en de plooimeter nodig waren om het veldwerk op te tekenen, legt de archeoloog in de 21ste eeuw elke structuur en spoor vast met GPS en kan je tegenwoordig op de meeste opgravingen drones zien rondvliegen.
Moderne technieken helpen ons ook om kostbare archeologische objecten, zoals grafgiften, op nieuwe manieren toegankelijk kunnen maken om verhalen mee te brengen. (Ontdek het hier zelf!)
3D-registraties en visualisaties zijn een grote meerwaarde voor archeologie en erfgoed, en hoe langer ik ermee bezig ben hoe meer toepassingen ik zie. 3D-scans zijn bijzonder nuttig voor wetenschappelijke doelen en conservatie, maar betekenen ook een grote vooruitgang voor de ontsluiting van objecten en sites. Zo kan het erfgoed inclusiever en toegankelijker maken, bijvoorbeeld met virtuele bezoeken van sites en tentoonstellingen voor mensen die zich niet makkelijk kunnen verplaatsen, of het gebruik van 3D-prints zodat ook slechtzienden kennis kunnen maken met erfgoed- of museumstukken.
– Adelheid De Logi (archeoloog)
Archeologie vindt in de 21ste eeuw evengoed plaats in een labo. Zo zijn meerdere potten uit het oostelijk grafveld chemisch geanalyseerd om te achterhalen welk voedsel er in de potten gezeten heeft.
Ook bij het onderzoek van het fort zijn er een groot aantal analyses uitgevoerd om bijvoorbeeld de herkomst van het aardewerk te achterhalen op basis van de mineralogische opbouw van de klei. Of de opbouw van metalen voorwerpen in kaart te brengen met X-stralen.
Maar evengoed kon het dieet van de soldaten achterhaald worden door het dierlijk en plantaardig materiaal uit afvalputten te bestuderen, of het landschap te reconstrueren aan de hand van pollen van bomen en grassen die ooit in een waterput terecht gekomen waren.
Dergelijke natuurwetenschappelijke analyses zijn erop gericht om zoveel mogelijk informatie uit een vondst of object zelf te halen. Deze – vaak onzichtbare – informatie kan dan door de archeoloog gebruikt worden om complexe vragen te gaan beantwoorden en het leven in het verleden te gaan reconstrueren.
– Dr. Vince Van Thienen (archeoloog)
Het archeologisch verhaal: puzzelen voor (wetenschappelijk) gevorderden
Archeologisch onderzoek bestaat uit veel deelstudies, waarin uiteenlopende disciplines samenwerken. Pas als al die onderzoeken zijn afgerond, komt de grootste uitdaging: alle verschillende resultaten combineren tot één samenhangend verhaal.
Door een totaalbenadering, met gedetailleerde studies in samenwerking met specialisten van de verschillende vondstcategorieën met hun eigen type informatie, onderzocht doorheen de tijd en in nauwe relatie tot de contexten waaruit de vondsten werden verzameld, konden we belangrijke vragen over het Oudenburgse fort en over de laat-Romeinse tijd beter begrijpen. Deze vondstenstudies zijn nu ook belangrijke referentiecollecties voor sites in België en daarbuiten, voor de midden- tot laat-Romeinse periode.
– Dr. Sofie Vanhoutte (archeoloog)
Met wetenschappelijk onderbouwde analyses proberen archeologen te achterhalen hoe mensen vroeger leefden en hoe hun samenleving was ingericht. Daarbij komt alles voorbij: van het borsteltje en de microscoop tot geavanceerde technieken zoals röntgenscans en isotopenonderzoek.
Misschien maakt 21e-eeuwse archeologie wel kans om de meest alomvattende wetenschappelijke discipline genoemd te worden?













