De laat-Romeinse periode bij ons
De laat-Romeinse periode – over welke tijd hebben we het dan precies? Op de tijdslijn situeren we deze fase grofweg tussen circa 260 en 450 na Chr., ofwel de laatste twee van de in totaal vijf eeuwen Romeins bewind in onze streken (van ca. 50 v.Chr. tot 450 n.Chr.).
Historisch gezien zijn het vooral keizers als Diocletianus, Constantijn de Grote en Theodosius die kleur geven aan deze periode. Misschien zeggen die namen je niet direct iets? Geen probleem, niet elke keizer was immers even aanwezig in onze regio, maar diens politiek natuurlijk wel.
In de grote verhaallijnen van de Romeinse geschiedenis wordt onze regio – het noorden van Gallië – soms afgedaan als een onbeduidende randstreek van het Romeinse Rijk. Ook voor de laat-Romeinse periode wordt Noord-Gallië vooral beschreven als ‘verlaten’, ‘verwoest’ en ‘overspoeld door barbaren’.
Er schuilt enige waarheid in deze historische stereotypen, maar archeologisch onderzoek heeft de laatste vijftig jaar aangetoond dat er toch veel meer te vertellen valt over deze periode, en dat we het negatieve woord ‘barbaar’ met de nodige korrels zout moeten nemen.
Het is te veel gevraagd om het volledige Romeinse verleden hier uit de doeken te doen, maar we geven graag een kort overzicht van wat zich tijdens de laat-Romeinse periode in onze streken heeft afgespeeld
Een korte geschiedenis
De bijna-val van het Romeinse Rijk
Alvorens de laatste twee Romeinse eeuwen in onze streken te beschrijven, is het belangrijk om te begrijpen wat er zich voordien afspeelde, namelijk de gebeurtenissen in de derde eeuw als dé grote spelbreker.
Tussen circa 235 en 285 na Chr. heerste er immers grote politieke, militaire en economische onrust in het Romeinse Rijk. Ontevreden generaals grepen om de haverklap de macht: zij riepen zichzelf uit tot keizer. Dit leidde tot een halve eeuw van burgeroorlogen, waarbij de ene troonpretendent al succesvoller was dan de andere. In de meeste gevallen waren deze tegenkeizers echter een kort leven beschoren.
De derde eeuw was dus een turbulente periode die een breuk vormde in de politieke, militaire en economische organisatie van het Romeinse Rijk zich. Het scheelde weinig of het Romeinse keizerrijk was (vroegtijdig) gevallen. Maar keizer Diocletianus – samen met nog drie mede-keizers Maximianus, Galerius en Constantius Chlorus – herstructureerde het hele keizerrijk en bracht opnieuw stabiliteit tegen het begin van de vierde eeuw.
Maar hoezo, stabiliteit? In het collectieve geheugen blijft de vierde tot de zesde eeuw een periode van chaos, verval en barbaarse invallen: de zogenoemde ‘migratieperiode’ of ‘grote volksverhuizingen’.
Men meende dat Rome zich te druk bezighield in het Middellandse Zeegebied om nog aandacht te schenken aan de noordelijke provincies. Zo kregen Germaanse stammen de kans om het noorden van Gallië binnen te vallen. Met als gevolg de val van het West-Romeinse Rijk en een tumultueuze stoelendans van Germaanse volkeren in de vijfde eeuw.
De legacy van Edward Gibbon
Weinigen beseffen dat het huidige – negatieve – beeld van de laat-Romeinse tijd vooral steunt op het werk van de Britse historicus én politicus Edward Gibbon. Tussen 1776 en 1789 publiceerde hij zijn monumentale zesdelig werk: De geschiedenis van de Ondergang en Val van het Romeinse Rijk.
Gibbon schreef dit natuurlijk in zijn eigen tijdscontext. Een tijd van het machtige Britse Rijk en de Amerikaanse onafhankelijkheidsstrijd, een tijd waarin de Verlichting haar stempel drukte en de klassieke oudheid vaak werd verheerlijkt.
De schilder Thomas Cole verbeelde deze tijdsgeest prachtig in zijn reeks The Course of Empire (1833-1836), waarin het cyclische leven van (keizer)rijken in de verf gezet wordt.
Gibbon baseerde zich zo veel mogelijk op klassieke schriftelijke bronnen, en dáár wringt het schoentje. Over de late oudheid in onze streken bestaan namelijk bijzonder weinig contemporaine teksten, en wat we wél hebben komt vooral van weinig objectief rapporterende Romeinse auteurs met een duidelijk politiek doel: de keizer verheerlijken of een excuus leveren voor militaire interventies in de grensprovincies. Het was dus in hun voordeel om het noorden van Gallië in een slecht daglicht te stellen en Germaanse invallen te overdrijven.
Betekent dit dat er géén Germaanse migraties plaatsvonden? Nee, in tegendeel. Maar ze waren niet nieuw voor de laat-Romeinse periode en zelden zo’n grote bedreiging als men liet uitschijnen.
Archeologie verlicht de donkere eeuwen
Hoe kunnen we iets zinnigs zeggen over deze tijd, als we zo weinig geschreven bronnen hebben? Het antwoord zit in de tastbare sporen die we dankzij archeologie vinden. Al sinds het begin van de twintigste eeuw zijn laat-Romeinse voorwerpen en sites in Vlaanderen en België ontdekt. Het onderzoek kwam in een eerste stroomversnelling in de jaren 1960-1970, met grote opgravingen op de uitgebreide grafvelden van de twee belangrijkste laat-Romeinse plekken in Vlaanderen: de Romeinse stad Tongeren en het kustfort Oudenburg (lees er hier meer over).
De afgelopen vijftien tot twintig jaar heeft archeologisch onderzoek ons begrip van de laat-Romeinse periode in Noord-Gallië aanzienlijk verrijkt. Dankzij nieuwe vondsten en onderzoekstechnieken begrijpen we nu beter hoe de samenleving in onze regio eruitzag tijdens de laat-Romeinse periode.
Een demografische krimp
Een opvallend kenmerk van deze periode is een sterke demografische afname ten opzichte van de Romeinse hoogdagen tijdens de 2de en vroege 3de eeuw. Vooral in de turbulente 3de eeuw nam de bewoning aanzienlijk af.
In de westelijke gebieden van Vlaanderen – ongeveer tussen de Noordzee en de Schelde – liep het aantal nederzettingen met wel 90% terug tegen het einde van de 3de eeuw. Rond Tongeren was de terugloop minder drastisch en eerder 50%.
Toch zien we naast verlating ook heropleving en investeringen, vooral tijdens de regeerperiodes van sterke keizers in de 4de eeuw, gericht op het versterken van forten en steden.
Een post-globale economie
Ook op economisch vlak veranderde er veel. De onrust in de 3de eeuw zorgde voor immers voor een grote verstoring in handel en nijverheid. Algemeen gesproken maakte de voorgaande grootschalige intensieve handel, zelfs op lange afstand plaats voor een meer kleinschalige regionale economie.
Vanaf de late 3de eeuw werden goederen vooral op een kleinere schaal verhandeld. Hoewel langeafstandshandel bleef bestaan, beperkte deze zich grotendeels tot militaire contexten. Het dagelijkse leven op het platteland was sterk lokaal gericht, met landbouw en productie voor eigen gebruik.
Tegelijkertijd bleven kleinere gemeenschappen wel via regionale netwerken verbonden, wat blijkt uit vondsten van producten uit het Eifelgebied en Noord-Frankrijk. In Noord-Gallië werd vooral het Rijnland uit tot een belangrijk productiegebied. Omdat de Rijn – als grens van het Romeinse Rijk – bewaakt werd door Romeinse forten, groeide die doorheen de 4de eeuw als een cruciale economische slagader.
Het leger als trendsetter
Het leger kreeg in deze periode een steeds grotere maatschappelijke rol. Investeringen verschoven van openbare civiele projecten naar militaire bouwwerken zoals stadsmuren, forten en controlepunten. De algemene bevolking sloot zich aan bij dit militaire, veilige en lucratieve netwerk en vestigde zich vooral op strategisch gunstige locaties langs rivieren, wegen en op heuvels.
De aanwezigheid van het leger gaf immers niet alleen een vorm van bescherming of een cliënteel om goederen aan te verkopen, maar zorgde ook voor sociale mobiliteit: een kans om hogerop op de sociale ladder te klimmen.
Deze invloed komt bijvoorbeeld duidelijk naar voren in de manier waarop de machthebbers zich kleedden. Mensen met politieke functies droegen steeds vaker opvallende mantelspelden en riemsets die eerder exclusief waren voor soldaten en officieren.
Militaire mobiliteit en Germaanse migraties
De kansen die het leger bood, gingen vaak gepaard met verplaatsingen, soms over grote afstanden. Op die manier werden nieuwe culturele en religieuze invloeden naar onze regio gebracht, waaronder het vroege christendom. Deze invloeden vertaalden zich ook in andere aspecten van het dagelijkse leven, zoals begrafenisrituelen.
Voor de mensen buiten het Romeinse Rijk – uit de Germaanse gebieden in het huidige Nederland en Duitsland – ontstonden nieuwe kansen: ze reisden naar het Romeinse rijk om in het leger te dienen, handel te drijven of zich te vestigen. Of elke nieuwe Germaanse groep de vrijheid had om te gaan en staan binnen de Romeinse grenzen, weten we niet. In historische bronnen valt ook te lezen dat gevangengenomen Germanen door de Romeinse overheid geplaatst konden worden als werkkrachten.
Deze migratie verliep niet abrupt in een grote, plotse migratiegolf, maar geleidelijk over een periode van zo’n 200 jaar. Zo ontstonden er kleine Germaanse gemeenschappen, verspreid in de Romeinse noordelijke provincies, vaak rondom Romeinse centra.
Romeins-Germaanse cultuurvermenging
Wanneer we de periode van de ‘laatste Romeinen’ binnentreden – grofweg tussen 375 en 430 na Chr. – zien we een steeds groeiende vermenging van Germaanse en Romeinse gebruiken.
Sommige voorwerpen blijken, dankzij herkomstanalyses, letterlijk uit Germaanse gebieden te zijn geïmporteerd; andere zijn lokaal gemaakt, maar in de stijl van voorwerpen aan de overzijde van de Rijn. Ook de nieuwe woningen op het platteland werden opgetrokken met bouwtechnieken die hun wortels hadden in Germaanse gebieden.
Toch is het verhaal genuanceerder dan een simpele wissel van culturen. Uit de studie van objecten en gebruiken, komen sporen van zowel Romeinse als Germaanse afkomst naar voren. Sommige elementen gaan duidelijk terug op één traditie; andere groeien uit tot tussenvormen waarin beide gemeenschappen zich herkennen.
De Laatste "Romeinen"
Aan het einde van de vierde en het begin van de vijfde eeuw leefden in onze streken de laatste Romeinen, of beter gezegd de laatste mensen die woonden in een gebied dat politiek en administratief tot het Romeinse Rijk behoorde. Hoewel deze gemeenschappen duidelijk Germaanse wortels hadden, bevonden ze zich nog altijd binnen een Romeinse samenleving.
Vooral het leger zorgde in die tijd voor veel dynamiek en verandering. Dat zien we terug in vrijwel alle aspecten van het dagelijks leven: de manier waarop mensen woonden, zich kleedden, hun gedrag en zelfs hun begrafenisrituelen. Zo ontstond er in het noorden van Gallië een echte grenscultuur met zowel Romeins als Germaans erfgoed.
Een bijzonder sprekend voorbeeld van die grenscultuur is het graf van Childerik in Doornik. Childerik werd in 481 na Chr. begraven en vervulde een dubbele rol: hij was tegelijk een Germaanse leider én een Romeinse machthebber over het gebied van de voormalige Romeinse provincie Belgica Secunda – grofweg het gebied tussen de Noordzee en Schelde van Noord-Frankrijk tot België en Nederlands Zeeland. Vermoedelijk heeft hij zelfs een militaire loopbaan binnen het Romeinse leger gehad. De grafgiften illustreren zijn gemengde identiteit: een Romeinse zegelring met het opschrift CHILDERICI REGIS (“van koning Childerik”) ligt er naast sierraden die duidelijk teruggaan op de laat-Romeinse militaire officiële kledij, maar wel een duidelijke Germaanse stijl hebben.
Het was Clovis – de zoon van Childeric – die uiteindelijk de grondlegger van de Merovingische dynastie werd en daarmee de vroege middeleeuwen op gang bracht. De eerste vroegmiddeleeuwse gemeenschappen hadden roots in zowel de Romeinse als de Germaanse cultuur – iets wat genetisch onderzoek met behulp van oudDNA heeft bevestigd.
Deze gemengde samenleving ontstond dus hier, bij ons, in het noorden van Gallië, en liet een blijvende stempel achter op de verdere geschiedenis en het ontstaan van Europa. Dat is echter stof voor het vervolgverhaal van de vroege middeleeuwen.



















