Laat-Romeins Oudenburg

Oudenburg. Een kleine stad nabij Oostende, op zo’n 8 km van de zee. Wie had ooit gedacht dat daar een rijk Romeins erfgoed zou te vinden zijn? Het antwoord op die vraag: Jozef Mertens; gewezen professor aan de Katholieke Universiteit Leuven (1955-1986) en een pionier in de Belgische archeologie. Al in de jaren 1950 vermoedde hij dat er een Romeins kamp in Oudenburg lag. Niet door archeologisch onderzoek, maar simpelweg door het stratenplan. 

Reconstructie van het Romeinse fort van Oudenburg. Ets gemaakt door Prof. Jozef Mertens (1972).

Wie het centrum van Oudenburg op een kaart bekijkt, ziet dat de straten rond de Onze-Lieve-Vrouwekerk een opvallend vierkant vormen. Deze wegen – de Marktstraat, Hoogstraat, Weststraat en Sint-Pietersstraat – gaan terug op de wegen die ontstaan zijn tijdens de middeleeuwen, wanneer men de hoge muren van het Romeinse fort afbrak om de stenen te hergebruiken als bouwmaterialen. 

Puur op basis van het stratenplan vermoedde Mertens dus dat hier de resten van een Romeins fort in de bodem te vinden waren. Een straffe prestatie, maar Mertens werd wel een handje geholpen door een monnik uit de 11de eeuw, die de stenen versterking van Aldenborgh – een oude burcht dus - beschreef als de hoofdstad van Vlaanderen (caput totius Flandriae).

Interpretatiekaart van het fort en de westelijke grafvelden van Oudenburg geprojecteerd op een satellietbeeld. © S. Vanhoutte 2023

Gezocht en gevonden: het archeologische bewijs

Tussen 1956 en 1960 vond Mertens – op dat moment nog archeoloog bij de toenmalige Nationale Dienst voor Opgravingen (de voorloper van het agentschap Onroerend Erfgoed) – het gezochte bewijs van het fort door middel van enkele kleine opgravingen in het centrum van Oudenburg. Goed nieuws voor Mertens dus. Op dat moment had hij echter nog geen idee wat voor top-site Oudenburg zou blijken te zijn.

Al in 1962 hielp het toeval een handje. Bij werken aan een kelder langs de Hoogwegel kwamen menselijke resten tevoorschijn. Trimpe Burger – de toenmalige provinciaal archeoloog van Zeeland in Nederland – kwam ter plaatse, herkende de menselijke resten als drie Romeinse skeletgraven en lichtte zijn Belgische collega Mertens in. Dit leidde tot drie grootschalige opgravingscampagnes in 1963, 1964 en 1968 waarbij Mertens en zijn team  een indrukwekkend grafveld met 216 skeletgraven blootlegden. De link met het Romeinse fort was meteen duidelijk. Dit grafveld, gelegen ten westen van het fort, leverde een schat aan informatie op over de mensen die in het fort geleefd hebben.

De archeologen konden van de menselijke resten en de voorwerpen die in de graven meegegeven waren, afleiden dat het voornamelijk om een militaire populatie ging. Dit bleek niet alleen uit het grote aandeel (jonge) mannen dat er begraven lag, maar ook uit het grote aantal kleding- en uitrustingsstukken dat vooral door soldaten gedragen werden, zoals riemen met metalen gespen en een bepaald soort mantelspelden. Meer nog, het gehele grafveld kon geplaatst worden in de laat-Romeinse periode, de minst gekende episode uit onze Romeinse geschiedenis (lees er hier meer over).

Deze ontdekking en de daaropvolgende studie door Jozef Mertens en diens collega-archeoloog Luc Van Impe (1971) maakten van Oudenburg een top-site die internationaal bekend werd. In heel Europa gebruikten archeologen het grafveld van Oudenburg als een referentie om hun eigen werk op te baseren!
 

De Romeinse bewoning

Bij het opgraven van dit grafveld kwamen er ook andere sporen van het Romeinse verleden aan het licht. Zo waren de begravingen rond de resten van een Romeins badhuis gerangschikt. Dit badhuis behoorde tot een eerdere Romeinse periode en was niet meer in gebruik wanneer de eerste mensen er begraven werden. Een hele reeks opgravingen volgden in de daaropvolgende decennia en onthulden dat Oudenburg een bloeiende nederzetting kende vanaf de late 1ste eeuw na Chr. 

De opgravingen op de terreinen van het sportcomplex in het begin van de jaren 1990 onderstreepten dit ten volle.  Onder leiding van Yann Hollevoet – archeoloog bij het toenmalige Instituut voor Archeologisch Patrimonium (de opvolger van de Nationale Dienst voor Opgravingen en voorloper van het huidige agentschap Onroerend Erfgoed) – troffen archeologen hier voor de tweede keer Romeinse graven aan: een deel van een zeer uitgestrekt grafveld met meer dan 600 graven! 

Dit grafveld, gelegen ten zuiden van het stadscentrum, bestond vooral uit crematiegraven. Hierbij werd de overledene op een brandstapel verbrand en de resten begraven in een grafkuil. In tegenstelling tot het westelijke grafveld werden hier de mensen van de Romeinse nederzetting begraven uit de 2de en 3de eeuw. Het grote aantal graven wijst erop dat er op dat moment een relatief grote bevolking aan de rand van de kustvlakte woonde.

Het is pas op het einde van de 2de eeuw dat het Romeinse leger op deze plek een fort bouwde. De ligging aan het uiteinde van een zandrug die uitkeek over de kustvlakte was een ideale strategische locatie. Door de kleine opgravingen van Mertens was er al geweten dat het fort een paar keer heropgebouwd is geweest, maar het is pas met de opgravingen tussen 2001 en 2005 dat de complexe geschiedenis van het fort aan het licht kwam.

Deze opgravingen vonden plaats op het terrein van de supermarkt Spegelaere en legden de volledige zuidwesthoek van het fort bloot. Hierdoor kon het archeologisch team onder leiding van Sofie Vanhoutte – archeoloog bij het agentschap Onroerend Erfgoed – zowel de muren als de bebouwing binnen het fort onderzoeken. Wat gevonden werd, was zo complex en de vondsten waren zo massaal, dat de gehele studie van deze opgraving pas in 2023 gepubliceerd kon worden! (lees er hier meer over)

Sattelietbeeld van Oudenburg met daarop het fort en de verschillende grafvelden aangegeven. Grafvelden A, B en C behoren tot de laat-Romeinse periode en werden gebruikt om de fortbewoners in te begraven. Het rode grafveld ten zuiden van het centrum behoorde tot de nederzetting die vooraf ging aan het laat-Romeinse fort. In het westen komen twee Romeinse wegen toe in Oudenburg: de Zandstraat die naar Brugge loopt en de Zeeweg die richting Kortrijk loopt. In de periode van de ‘laatste Romeinen’ kwam er een getijdegeul tot aan de noordelijke muur van het fort. 

Wat we nu weten van het Romeinse fort

Tot zover de rijke geschiedenis van archeologisch onderzoek in Oudenburg. In een periode van 75 jaar onderzoek is er veel ontdekt waarbij het verhaal verder wordt ingekleurd met elk nieuw stukje informatie uit opgravingen of studies van het gevonden materiaal. We weten nog zeker niet alles, maar we hebben ondertussen wel al een goed idee van hoe het fort zich ontwikkelede doorheen de tijd en wie de mensen waren die in het fort leefden.

Overzicht van de archeologische opgravingen in en rond het fort tussen 1956 en 2009. © agentschap Onroerend Erfgoed

De evolutie van een Romeins fort

We weten nu dat het fort voor de eerste keer opgebouwd is in de late 2de eeuw. De eerste drie opeenvolgende forten bestaan uit constructies in hout en aarde. Ongeveer in 260 na Chr. wordt het fort nogmaals herbouwd, maar deze keer voor het eerst met stenen verdedigingsmuren. Deze timing is niet toevallig, want het is een zekere generaal Postumus – een man met ambities voor het keizerschap – die op dat moment de leiding heeft over het leger in Gallië.

Gedurende een tiental jaar regeert Postumus als een tegenkeizer vanuit Gallië, in rebellie tegen de keizer in Rome. Het is dus niet onlogisch dat hij investeert in het versterken van forten. Het ‘Gallische Rijk’ – zo genoemd door geschiedkundigen – is echter een kort leven beschoren. Al in 274 na Chr. worden de afgescheiden gebieden terug verenigd met het Romeinse Rijk. Ergens op het einde van de 3de eeuw lijkt het fort vernield te zijn door een grote brand – door vijandelijke invallen? – en lijkt er een hiaat te vallen in de militaire bezetting van het fort.

Rond 325 na Chr., tijdens het bewind van keizer Constantijn, komt er een grootschalige renovatie. In die periode vormde het fort van Oudenburg een essentieel onderdeel van de litus Saxonicum, de grootschalige kustverdediging aan de Noordzee aan zowel Gallische als Britse kant.

Panorama tekening van het fort van Oudenburg op de zandrug aan de rand van de kustvlakte. Artistieke impressie van hoe het landschap er in de tweede helft van de 4de eeuw kan uitgezien hebben. ©Karel De Wolf

De laatste renovatie gebeurde rond 380 na Chr., onder keizer Valentinianus II. Daarmee startte wellicht de laatste fase van het fort als Romeinse legerplaats. De bewoners bleven er vermoedelijk tot ongeveer 430 na Chr., maar of zij op het einde nog een actieve militaire rol speelden, blijft onzeker. Historische bronnen spreken namelijk over het terugtrekken van Romeinse troepen aan het begin van de 5de eeuw. Vondsten tonen wel aan dat de gemeenschappen voor en na 380 na Chr. anders waren, al werden beide groepen wel op dezelfde grafvelden begraven.

Deze dubbele waterput was essentieel om de chronologie van de 4de eeuw te begrijpen. Zo konden archeologen aan de hand van de jaarringen van het hout (dendrochronologie) bepalen dat de binnenste waterput geplaatst is in het jaar 379 of 380 na Chr. Dit markeert de start van de laatste renovatiefase van het fort. © agentschap Onroerend Erfgoed

Nieuwe opgravingen, nieuwe kennis

Al deze zaken zijn ons bekend door archeologisch onderzoek, maar het hele verhaal is nog verre van af. Nieuwe opgravingen en nieuwe technieken bieden ons nog steeds extra puzzelstukjes om bij te bouwen aan het laat-Romeinse verleden van Oudenburg. Zo was er in 2023 de opgraving in het hart van het fort, aan de hoek van de Mariastraat met de Kerkstraat, waarbij de resten van de hoek van het hoofdgebouw (principia) van het fort zijn ontdekt.

Opgravingsfoto van het ontdekte hoofdgebouw (principia) van het fort. © Ruben Willaert

Ook een aantal jaar eerder, in 2014, was er een nieuw Romeins grafveld, ditmaal ten oosten van het fort. De opgraving besloeg slechts een deel van dit oostelijk grafveld, met een zestigtal Romeinse crematiegraven uit de 2de en 3de eeuw, en een twintigtal skeletgraven uit de laat-Romeinse periode. Niettemin vormde dit een uitstekende kans om onderzoek naar de begravingen uit te voeren met recente wetenschappelijke methodes. 

Zo gingen wij – een onderzoeksteam aan de Universiteit Gent – in 2021 met deze nieuwe gegevens van het oostelijk grafveld aan de slag en wierpen we meteen ook een nieuwe blik op de informatie uit de oude opgravingen van de andere grafvelden. Vanuit deze gegevens onderzochten we de laat-Romeinse grafrituelen en gebruiken bij de opeenvolgende fortgemeenschappen. Hierbij voerden we onderzoek uit naar zowel de objecten uit de graven als naar de menselijke resten. Hiervoor zijn verschillende wetenschappelijke technieken gecombineerd (lees er hier meer over). Deze aanpak gaf ons nieuwe inzichten in de mensen die in de 4de en 5de eeuw in het fort van Oudenburg leefden. 

In graf C-14 lag een jonge vrouw begraven zonder grafgiften. Door de analyse van het botmateriaal kunnen archeologen toch een deel van haar verhaal achterhalen.
Opgravingsfoto ©BAAC Vlaanderen, stalenfoto ©Universiteit Gent, tekening ©Karel De Wolf

Nieuw fort, nieuwe bewoners?

Niet alle menselijke resten waren even goed bewaard, waardoor we slechts gedeeltelijk informatie hebben over de begraven personen. In totaal konden we van 150 individuen de leeftijd bepalen: 130 volwassenen (87%) en twintig kinderen en jongeren (13%). Van de 64 personen waarvan het geslacht te bepalen was, is ongeveer 70% man en 30% vrouw. Opvallend, de graven uit het midden van de 4de eeuw bevatten vooral (jonge) mannen. In de graven uit de late 4de en vroege 5de eeuw – de laatste (militaire) fase van het fort – liggen meer vrouwen en kinderen begraven. Dit lijkt erop te wijzen dat de laatste fortgemeenschap verschilde van die onder Constantijn.

Veranderingen in begravingsrituelen

Ook bij de grafgiften is er een evolutie te merken doorheen de tijd. In de oudste skeletgraven uit de eerste helft van de 4de eeuw vinden we vooral objecten die met eten en drinken te maken hebben, zoals keramische borden met daarin dierlijke botten en bekers uit aardewerk of glas. Deze traditie bestond al eerder bij Romeinse crematiegraven. Eerdere rituelen bleven dus duidelijk bestaan, alhoewel men het lichaam nu in een kist begroef in plaats van het te cremeren. Skeletbegravingen verschijnen in onze regio vanaf de 3de eeuw, en werden daarna steeds gebruikelijker, al verdween crematie niet volledig.

Vanaf het midden van de 4de eeuw bevatten graven steeds vaker objecten gerelateerd aan kleding met een duidelijke militaire betekenis, zoals mantelspelden (fibulae) en gordelstukken. Deze officiële uitrusting – en wat het symboliseert – lijkt vanaf dan een alsmaar belangrijker onderdeel van het begrafenisritueel te zijn. Soms droeg de overledene deze kledingstukken daadwerkelijk bij de begraving, maar meestal lagen ze op of naast het lichaam in de kist. Het benadrukken van een militaire identiteit tijdens de begrafenis verbaast niet. De overledenen in die periode waren immers vooral jonge soldaten, waarschijnlijk leden van een traditionele militaire eenheid aan de Noordzeekust. Deze troepen behoorden tot de befaamde grenstroepen, die langs de Rijksgrenzen gestationeerd werden. Soldaten en officieren werden gedurende hun carrière vaak op verschillende plaatsen ingezet. Dit betekent dat er soldaten in de grafvelden van Oudenburg liggen die een heel eind van huis gestorven zijn.

In graf C-8 lag een kind (ca. 4 à 8 jaar oud) begraven, vermoedelijk een jongen. Dit kind behoorde tot de laatste inwoners van het fort en werd volgens Romeinse traditie begraven met een aantal grafgiften zoals een kruik, twee bekers, een terra sigillata kom, een riem en acht munten.
Opgravingsfoto ©BAAC Vlaanderen, tekening ©Karel De Wolf, 3D afbeeldingen © De Logi & Hoorne

Rond 380 na Chr. volgt er een nieuwe ontwikkeling in het begrafenisritueel. De voorgaande tradities bleven wel nog in gebruik, maar er verschijnen meer persoonlijke objecten in de graven die niets met eten, drinken of officiële kleding te maken hebben. Vaak komen deze voorwerpen in het gehele grafveld slechts één of twee keer voor. Voorbeelden hiervan zijn een lans en een pijl-en-boog – wapens of jachtgereedschap –, maar ook een juwelenkist, een schrijfstift (stilus) en zelfs een hond. Wellicht gaat het om persoonlijke bezittingen die iets te maken hadden met wie de overledene was en wat zijn of haar persoonlijke activiteiten of interesses waren. Dit gebruik zien we dus vooral bij de laatste bewoners van het fort. 

De laatste Romeinen in Oudenburg

Deze laatste gemeenschap in Oudenburg vertoont duidelijk Germaanse invloeden. Dat blijkt uit de vondsten, maar ook uit veranderingen in het dagelijkse leven in het fort. Dit betekent niet dat deze mensen geen Romeinen meer waren, zoals het doorlopen van de Romeinse begravingsrituelen tot bij de laatste fortbewoners toont.

Het fort van Oudenburg bleef onderdeel van de Romeinse kustverdediging en viel nog steeds onder Romeins gezag. Dit blijkt onder andere uit vondsten zoals uitzonderlijke mantelspelden die alleen gedragen werden door generaals, senatoren of rechters, zoals we weten uit historische afbeeldingen. De bewoners van het fort aan het einde van de Romeinse tijd symboliseren zo de vermenging van Romeinse en Germaanse culturen die overal in Noord-Gallië plaatsvond, en die het begin vormde van de eerste vroege middeleeuwers. (lees er hier meer over)

Ontdek meer over de laatste Romeinen in het fort via de expo!
 

< Previous page Next page >